Het is niet onwaarschijnlijk dat elk van de 900 bedrijven die actief zijn in de Antwerpse haven acties onderneemt op het vlak van duurzame ontwikkeling. Groene stroom, energie-efficiëntie, beheersen van afvalstromen en emissies, stakeholderconsultatie,... alle individuele initiatieven monden uit in de totaalcijfers die elders in dit duurzaamheidsverslag bij de verschillende stops besproken worden.
Bepaalde initiatieven gelden echter voor een volledige sector of zelfs voor de volledige industrie. In wat volgt lichten we het Responsible Care-programma en het Vlaamse Benchmarkconvenant toe.
Het Responsible Care-programma ontstond in 1985 in Canada. Het is een vrijwillig initiatief van de chemische industrie wereldwijd. De bedrijven die het programma onderschrijven verbinden er zich formeel toe:
In een aanvangsfase ging de aandacht vooral naar de vervuiling van bedrijfsterreinen en de bescherming en gezondheid van de werknemers. Dan volgde de uitbreiding naar de producten en naar de bescherming van de consumenten. Vandaag ligt het accent op de evaluatie van wat men noemt «cocktails van stoffen» en op de blootstelling van de wereldbevolking aan uiterst kleine dosissen van bepaalde stoffen op lange termijn.
Dit programma wil de zorg van de sector om te voldoen aan de eisen van duurzame ontwikkeling, omzetten in concrete acties. Het is ook een weg die de chemische sector toelaat de industriële activiteiten verder te zetten en te ontwikkelen (« licence to operate ») en de vereiste producten en diensten aan te bieden (« licence to sell »). Het programma onderlijnt tevens haar wil om de wetgevende evoluties te begeleiden of er zelfs op vooruit te lopen.
De sector besteedt heden ten dage 10 tot 15% van haar investeringen aan de bescherming van de gezondheid van mens en natuur.
essenscia (vroeger Fedichem) sloot zich in mei 1991 aan bij Responsible Care. Sindsdien is de deelname aan het programma een voorwaarde om lid te worden van de federatie. De bedrijfsleiders die het programma onderschrijven engageren zich om alles in het werk te stellen om hun prestaties te verbeteren op het gebied van veiligheid, bescherming van het leefmilieu en de gezondheid.
Het Benchmarkingconvenant is opgesteld voor grote energie-intensieve bedrijven uit alle industriële sectoren. De toetreding gebeurt per vestiging. Het convenant loopt tot 2012.
Door toe te treden tot het convenant gaan de bedrijven de verplichting aan om de energie-efficiëntie van hun procesinstallaties op 'wereldtopniveau' te brengen en/of te houden tegen 2012. Dat het 'wereldtopniveau' ook zal verbeteren in de tussenliggende periode wordt meegenomen in de beoordeling.
De wereldtop staat niet gelijk aan de allerbeste van de wereld, maar betreft eerder de berekening van een beperkte marge, waarvoor meerdere methodes bestaan:
De benchmarkstudies worden uitgevoerd per procesinstallatie door ervaren consultants. Het opdelen van het bedrijf in procesinstallaties is dikwijls nodig om eenheden te verkrijgen die vergelijkbaar zijn met andere installaties in het buitenland. Het kan dus voorkomen dat een bedrijf meer dan één installatie laat benchmarken zodat de afstand tot de wereldtop per procesinstallatie verschillend is. Er is dan een optelling nodig van de processen, elk met zijn afstand en productievolume, om een totale afstand te bekomen van het bedrijf tegenover het hypothetische wereldtopbedrijf.
Het bedrijf maakt, uiterlijk anderhalf jaar na toetreding tot het convenant, een EnergiePlan op, waarin alle maatregelen zijn opgenomen nodig om de achterstand tot de wereldtop blijvend te overbruggen. Het convenant schrijft voor hoe snel die maatregelen moeten worden uitgevoerd, afhankelijk van de economische rendabiliteit. Vanaf dan zal het bedrijf jaarlijks een opvolging- en monitoringverslag opstellen.
De 'Commissie Benchmarking' treedt op als stuurgroep voor het convenant. Ze bestaat uit vertegenwoordigers van de overheden en de industriële sectoren. Ze verzorgt de algemene coördinatie, zoekt oplossingen voor knelpunten in de uitvoering (bijvoorbeeld bijzondere situaties die zich voordoen bij de bepaling van de wereldtop), controleert de voortgang en publiceert verslagen over de resultaten van het convenant.
De berekeningen en de uitvoering van het convenant zijn zeer belangrijk en moeten zeer nauwkeurig opgevolgd worden. Hiertoe werd een onafhankelijke instantie aangeduid: het Verificatiebureau. Dit Verificatiebureau dient de benchmarkconsultants en de gebruikte methodieken goed te keuren vooraleer het benchmarkonderzoek start. Het keurt en verifieert ook het ingediende EnergiePlan, de uitvoering van de maatregelen en de monitoring en verslaggeving. Het stelt adviezen en verslagen op ten behoeve van de Commissie Benchmarking.
Als tegenprestatie voor de inspanningen van de bedrijven garandeert de Vlaamse overheid dat zij geen bijkomende maatregelen aan de bedrijven zal opleggen op gebied van rationeel energiegebruik of CO2. Verder zal ze alles in het werk stellen om voor de convenantbedrijven vrijstelling te verkrijgen van bijkomende Belgische of Europese maatregelen.